
werktitel: ARCHIVE FEVER
De totaalwerking van het netwerk van Limburgse kunstenaarsinitiatieven dat sinds 1948 actief is geweest, is tot op heden zo goed als onbeschreven gebleven en dreigt daardoor buiten het collectief bewustzijn te vallen. Dat collectief bewustzijn is wel van belang omdat Limburg onderdeel is van de Euregio. Om die reden heeft Artware in 2024 het plan opgevat dit netwerk zo goed mogelijk in beeld te brengen en voor toekomstige generaties te beschrijven. Dat doen we in eerste instantie door verschillende archieven samen te brengen, ze daarna te onderzoeken en te ordenen om ze vervolgens langs verschillende zichtlijnen aan het publiek te tonen door het organiseren van documentaire tentoonstellingen.


- Het jaar 1948 is gekozen omdat in dat jaar de Jan van Eyckacademie feitelijk werd opgericht en daarna invloed heeft uitgeoefend op het kunstklimaat waarbinnen de in Maastricht levende en werkende kunstenaars hun praktijk ontplooiden. De aanwezigheid van de Jan van Eyckacademie in Maastricht leidde in 1964 tot de oprichting van het eerste Maastrichtse kunstenaarsinitiatief “Artishock”. De groep wilde drastische veranderingen afdwingen in het overwegend traditionele kunstklimaat in Maastricht. Het was een periode waarin kritisch verzet bepalend was: tégen de institutionele kunstwereld, tégen het landelijke cultuurbeleid en tégen het tekort aan atelierruimte en tentoonstellingsplekken. Er was landelijk een sterke link met de kraakbeweging maar dat gold minder voor Limburg waar de kraakbeweging een marginale rol speelde. Ook het effect van de bezetting van de Nachtwachtzaal in het Rijksmuseum in Amsterdam door leden van de BBK in juni 1969 (foto) was in de randstad groter dan in het Limburgse. Dat werd anders met de afschaffing van de BKR-regeling (1956-1987). Daardoor werd de zelfstandige economische positie van de professionele beeldend kunstenaar dramatisch aangetast en ontstonden er als reactie in snel tempo een groot aantal kunstenaarsinitiatieven. Sterker nog: er heerste het gevoel dat Limburg achter bleef en dat gevoel bleek niet onterecht.
- De Jan van Eyckacademie werd feitelijk in 1948 officieel geopend maar de ideeën dateren al van honderd jaar geleden. De ideevorming ontstond namelijk al in 1928 in de hoofden van priester Leo W. Linssen en architect Alphons Boosten.Deze periode liet een tegenstelling zien tussen de autonomie van de beeldend kunstenaar enerzijds en de effecten van het door het neo-liberalisme gepropageerde cultureel ondernemerschap anderzijds. Naast het kunstenaarsinitiatief als ‘vrijplaats’ kwam er naast zelfredzaamheid en veerkracht steeds meer nadruk te liggen op interne organisatie door curatorial practice, lezingen, publicaties en door subsidiecriteria afgedwongen publieksbereik en -participatie.
- De foto’s hieronder tonen een aantal willekeurige covers van tijdschriften en publicaties waarmee kunstenaarsinitiatieven uit beide periodes, landelijk en regionaal, zich hebben geprofileerd: De Fabriek (Eindhoven), “Caberg Biënnale”, B32 (Maastricht), “Onbegrensde Beelden”, KODA (Maastricht), HCAK (Den Haag), Drukwerk De Zaak (Groningen) en Banana Art (Maastricht).






Het eerste aanknopingspunt om aan het onderzoek te beginnen waren een aantal documenten van het zogenaamde POLKI-overleg, afkomstig uit het Transit-archief van Klaus Marischler. De afkorting P.O.L.K.I. stond voor ‘PlatformOverleg Limburgse Kunstenaars-Initiatieven’ dat van 1988 tot 1989 regelmatig samenkwam. Op initiatief van OPPER VOLTA (foto), het overlegorgaan van kunstenaarsinitiatieven in Den Bosch, ontstond van binnenuit een bruikbare beschrijving van hoe de verschillende initiatieven zichzelf zagen en wie erbij betrokken waren. Aanleiding was dat de positie van het kunstenaarsinitiatief dankzij falend landelijk kunstbeleid ondergesneeuwd dreigde te raken.

Tussen 1994 en 1998 leverde een soort gelijk initiatief “Beeldende Kunst Platform Maastricht” (BK-Platform) een bijdrage aan de totstandkoming van een breder discours in Maastricht i.v.m. de positie van kunstenaars in de samenleving. Het wilde een aanspreekpunt zijn voor cultuuroverheden, instituten en commissies. De Kunsttour en de Stichting Ateliers Maastricht (SAM) kunnen worden gezien als voortvloeisels van het BK-Platform.
In de periode vanaf 2000 werd het immateriële erfgoed van ‘het kunstenaarsinitiatief’ vooral door Hedah, B32, Stichting Singe | KUS en Greylight Projects, samen met jongere initiatieven als bv. Artspace Transport Maastricht), PAND (Heerlen) en Flujas (Venlo) in stand gehouden. Om dat te bereiken moest vaak worden opgebokst tegen de steeds groter wordende invloed van musea en presentatieinstellingen zoals Marres Centrum voor Contemporaine Cultuur op het cultuurbeleid en de daarbij behorende subsidiestromen.
De samenwerking tussen de kunstacademie en de universiteit met de veelbesproken ‘Phd in de kunsten’ als gevolg, zorgden samen met andere nieuwe benaderingen van de kunstpraktijk zoals hybridisering, multi-, inter-, en transdisciplinariteit, en ‘cultureel ondernemerschap’ voor een merkbare verandering in het kunstklimaat en daarmee ook van de toch al kwetsbare positie van kunstenaarsinitiatieven.
